Franchisewetgeving op komst; welke veranderingen staan u mogelijk te wachten?

Ruim een jaar na het eerste ontwerp van de Wet franchise – en vele meningen, suggesties en voorgestelde wijzigingen verder – kreeg de ingediende wet recent een positief advies van de Raad van State. Het is nu aan de Staten-Generaal om zich over het wetsvoorstel te buigen.

Wat gaat er voor franchisegevers en franchisenemers zoal veranderen zodra deze Wet franchise (ongewijzigd) wordt opgenomen in ons Burgerlijk Wetboek? Misschien wel de belangrijkste verandering zal zijn dat bepaalde verplichtingen voor met name franchisegevers niet meer contractueel ten nadele van de franchisenemer kunnen worden uitgesloten of beperkt. Bij niet-naleving kan de betreffende contractuele bepaling worden vernietigd met alle nadelige gevolgen van dien.

Enkele andere in het oog springende veranderingen (lees: aangescherpte, wettelijk vastgelegde verplichtingen) zijn de volgende:

  • Het wetsvoorstel regelt dat partijen bij het aangaan van een franchiseovereenkomst elkaar tijdig (ten minste 4 weken voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst) en stelselmatig alle informatie moeten verstrekken die van belang kan zijn voor een juiste inschatting van de operationele en financiële gevolgen. Het gaat overigens enkel om informatie die in redelijkheid beschikbaar zou moeten zijn bij de verstrekkende partij. Wanneer informatie ‘in redelijkheid beschikbaar’ is, is vermoedelijk voer voor discussie.
  • Ook is de franchisegever verplicht om financiële gegevens te verstrekken aan de kandidaat-franchisenemer met betrekking tot de beoogde locatie van de franchiseonderneming. Een dergelijke verplichting is nieuw voor franchisegevers.
  • Op grond van het wetsvoorstel dient de franchiseovereenkomst een bepaling te bevatten waaruit blijkt op welke wijze eventueel aanwezige goodwill van de onderneming van franchisenemer wordt vastgesteld. Goodwill, die redelijkerwijs is toe te rekenen aan de franchisenemer, dient volgens de wetgever bij beëindiging van de franchiseovereenkomst voor vergoeding in aanmerking te komen. Tot op heden wordt hierover vrijwel nooit iets afgesproken.
  • In het wetsvoorstel is een bepaling opgenomen dat de (veel voorkomende en voor veel formules onmisbare) inkoopverplichting alleen rechtsgeldig is als de in het handelsverkeer gebruikelijke voorwaarden gelden. Ook op dit onderdeel zullen veel overeenkomsten opnieuw beoordeeld moeten worden.
  • Een postcontractueel non-concurrentiebeding in een franchiseovereenkomst is volgens het wetsvoorstel slechts geldig als het een duur van max. één jaar na het einde van de franchiseovereenkomst heeft en de geografische reikwijdte niet ruimer is dan het gebied waarbinnen de franchisenemer de franchiseformule op grond van de franchiseovereenkomst mocht exploiteren. Concurrentiebedingen van bijvoorbeeld 2 jaar of voor een te ruim gebied zijn in de nieuwe wet dus niet meer toegestaan.

Tot slot sta ik nog even stil bij een andere ingrijpende verandering, te weten de instemmingsverplichting van de franchisenemers in geval van een grote wijziging van de franchiseovereenkomst of de franchiseformule die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de bedrijfsvoering van de franchisenemer. Een dergelijke inspraak kan tot ingewikkelde situaties leiden en zelfs de verdere ontwikkeling van een (internationale) formule in de weg staan. Of en zo ja op welke wijze deze en alle andere voorgestelde wetsartikelen overeind zullen blijven tijdens de behandeling in de Tweede Kamer, zal moeten worden afgewacht.

Ik kijk met veel nieuwsgierigheid uit naar het verdere verloop van het wetgevingsproces.

 

Margot van Camp

Advocaat | Team Onderneming


T +31 (0)6 1987 6056 m.vancamp@mend.nl